Hundsklubb (Zweedse thriller)

Er lag honderd hectare bos voor ons. Honderd hectare om een moordwapen te verbergen. Of de liefde te bedrijven. Of verstoppertje te spelen. Zo’n dag was het, zo’n dag die alle kanten op kon.

Er drong weinig zonlicht door het dichte gebladerte. Verspreid in het vochtige duister zaten mensen te graven.

‘Wat doen ze?’ vroeg ik.

‘Traditie.’

‘Graven in het bos?’

‘Waar anders?’

Hij had gelijk. In Zweden was alleen maar bos.

Ze zaten allemaal op hun knieën en wroetten met blote handen in de aarde. Die hadden straks rouwrandjes.

‘Wat doen wij hier?’

‘When in Rome…’ Hij lachte.

Klaas-Jan hield van warmte en drinken, zuipen eigenlijk, in een land waar dat niet opviel. Daar leende Scandinavië zich niet voor. Toch was het zijn idee.

Hij stapte flink door, alsof hij een doel had. Ik wachtte op Pimmie, onze labradoodle. Mijn labradoodle. Klaas-Jan haatte hem, hoewel hij Zweden had gekozen omdat het zo’n diervriendelijk land was.

‘Zullen we vragen waarom ze graven?’ stelde ik voor.

‘Lekker onbeleefd. Stel dat wij samen in het bos bezig zijn.’ Hij kneep in mijn billen en fluisterde: ‘Dan wil je toch ook niet dat ze vragen waarom we neuken?’ Hij likte mijn oorlel. Ik duwde hem weg. Ik had het koud en wilde daglicht zien.

Pimmie stond bij een hoopje omgewoelde aarde. Normaal zou hij als een kwispelmachine van boom naar boom rennen. Nu sprong hij op één plek heen en weer. En jankte.

‘Ik wil liever gaan,’ zei ik.

‘Ben je bang? Denk je dat ze jou gaan begraven?’

Hij had zijn verveelbui. In een museum was hij leuker. Of in een kroeg.

‘Is toch leuk voor dat beest hier.’

‘Hij jankt de hele tijd.’

‘Laat hem janken. Vind jij ook lekker. Nu kan het nog’

Nu kan het nog? Er trok een koude wind door het bos. Ik zag overal schaduwen die verdwenen als ik ernaar keek. Al het geluid loste op. Ik stond in een Hitchcockfilm.


Pimmie was verdwenen. Het gejank was abrupt gestopt, geen blaadjes die knisperden onder zijn poten, zelfs geen schaduw die op hem leek. Mijn vriend was een uur op zoek geweest. Ik had rondjes gedraaid op de plek waar hij was verdwenen.

‘Heb je hem gevonden?’ vroeg ik.

‘Zie jij een hond?’ Hij liep langs me heen.

‘We moeten blijven, misschien komt hij terug.’

‘Dat denk ik niet.’

Ik rende achter Klaas-Jan aan. ‘Hij moet hier ergens zijn.’

‘Dat wel ja.’ Hij stopte en keek me aan met ogen waarin ondanks het duister iets twinkelde.

‘Heb je je afgevraagd waarom we in Zweden zijn?’

‘Voor Pimmie. Zei je.’

‘Heb je dieren gezien?’

Ik dacht na. Geen zwerfkat, geen straathond en bordjes die waarschuwden voor elanden, maar geen echte. ‘Ze hebben hier toch overal van die hondenclubs? Waar we het bos inreden stond ook een bordje,’ zei ik.

‘En wat zien we? Geen hond. Alleen gravende mensen.’ Hij greep mijn arm en trok me mee. ‘Kom, ik heb dorst.’

Ik keek naar zijn hand, zijn vingers op mijn jas, zijn nagels. Rouwrandjes…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *