God en de zeeleguaan

In 1835, een paar jaar nadat Ecuador de eilanden had geannexeerd, kwam Darwin aan op de Galapagos. De diversiteit die hij daar zag bij de dieren, en vooral de vinken, leidde uiteindelijk tot de evolutietheorie. Halverwege vorige eeuw is er een centrum opgericht dat zijn naam draagt en zich inzet voor de bescherming van het milieu en de biodiversiteit op de Galapagoseilanden. Dat is nodig. Ieder vreemd ras dat wordt ingevoerd kan de doodsteek betekenen voor een van de vele bijzondere dieren die nergens elders ter wereld leven. Soorten die al eeuwenlang bestaan, zoals de reuzenschildpad die veelvuldig door ontdekkingsreizigers werd meegenomen om tijdens de lange reizen de bemanning van vers vlees te voorzien.

De evolutietheorie heeft iets geruststellends; een soort kan zich aanpassen en verbeteren, dus er is nog hoop voor de mens. Toch is het niet eenvoudig op deze bijzondere plek in die theorie te geloven. Als je de zeeleguaan op een rots in het zonnetje ziet liggen, met zijn kleine kop en lompe poten, kan je je niet voorstellen dat het voor welk dier dan ook een voordeel is geweest hierin te evolueren. Juist deze schubbendieren maken dat je vanzelf in God gaat geloven. Op een dag zat hij zich dood te vervelen, de aarde en de mensen waren al geschapen, en voor de grap voorzag hij een steen van een hanenkam en wekte hem tot leven.

Zo haalde hij nog meer grapjes uit, op zijn zelfgeschapen, saaie zondagen. Er kwamen genten met blauwe poten, fregatten met een rode ballon onder hun snavel en krabben met bijna alle kleuren uit de regenboog. Het waren daarmee ook gelijk zijn lievelingsdieren en hij gaf ze een van de mooiste plekjes op aarde. De enige plek waar de dieren zich niets aantrekken van de mens.

(Blog geschreven naar aanleiding van Darwin Dag 12 februari.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *