Buitenlanders poepen ook

Er wonen in China twee soorten mensen: Chinezen en buitenlanders. Ze staren naar elkaar en roddelen over elkaar met een glazen muur ertussen.

De tolken van de school hebben veel contact met ons, omdat er altijd wel vragen zijn van ons of van de school, maar in het weekend zijn onze werelden gescheiden. Ik ben de enige buitenlander die ook privé veel met de Chinezen omgaat of ze bij me thuis uitnodigt.

Het beeld dat Chinezen hebben van buitenlanders wordt voor een groot deel gebaseerd op ons. Ik voel me verantwoordelijk voor het imago van dé buitenlander en moet van mezelf dus altijd vriendelijk zijn. Hoe ongesteld, moe, chagrijnig of ziek ik ook ben, ik doe mijn best om tegen iedereen te glimlachen. Het houdt ook in dat ik me ermee bemoei als Ambush, een van de andere leraren Engels en net gearriveerd uit Kameroen, zijn eisen bekend maakt op de vergadering.

Ik wil extra glazen, stoelen en vorken. En iemand moet mee naar de markt. Ik kan toch niet alleen mijn boodschappen doen?’ Yuo Nou, de tolk, zwijgt en probeert te glimlachen.

Ik wil een veiligheidslamp achter mijn huis. Het is daar ’s nachts helemaal donker! Elke avond en nacht moet ik met angst leven,’ klaagt hij. Hij is in een traditionele Afrikaanse jurk met een bruin-oranje dessin naar de vergadering gekomen. Misschien in een poging zijn eisen kracht bij te zetten.

Waar ben je bang voor?’ vraag ik hem. Ik wil als medebuitenlander niet met deze onzinnige eisen geassocieerd worden. Een glas kost misschien een dubbeltje en op de markt kan je je met handen en voeten wel redden. Een donkere blik komt mijn kant op. Hij perst zijn dikke, zwarte lippen op elkaar.

Er staan muren met punthekken rond de campus,’ ga ik verder, ‘er zijn beveiligers, voor alle ramen zitten dikke tralies en de voordeur is een paar centimeter dik.’ Ik voel me soms net een bankbiljet in de kluis van Dagobert Duck.

Ambush draait zich naar You Nuo en zegt dat hij leerlingen over de muur heeft zien klimmen en dat anderen dat dus ook kunnen doen.

Maar je tralies dan?’ vraag ik weer. ‘Eer inbrekers die doorbreken, hoor je hen voor je ze ziet.’ You Nuo kijkt me aan. Ze lacht. Ze lacht uit leedvermaak en zegt: Hij is bang voor de duivel.’ You Nuo gaat te veel met buitenlanders om. Chinezen kunnen je ongegeneerd uitlachen. Ze communiceren alles wat ze van een ander vinden met verschillende soorten lachjes, maar openlijk grapjes maken ten koste van een ander doen ze niet. Deden ze niet.

Het veiligheidslicht komt er niet en de vorken ook niet, maar de eisen blijven. Ik heb een dagtaak aan het ophouden van ons imago. We worden constant bekeken.

Zonder er iets voor gedaan te hebben, ben ik hier een beroemdheid. Zonder er om gevraagd te hebben, ben ik publiek bezit geworden. De complimenten vliegen me om de oren en hoewel mijn ego graag wordt geaaid, zijn niet alle mango’s zoet. Ontspannen over straat lopen is er niet meer bij, hoewel ik aan de starende blikken begint te wennen. Als ik in een winkel loop en mensen kijken niet, vraag ik me af wat er aan de hand is.

Wild vreemden zeggen mij gedag. Ik ben van iedereen. Elke tweede Chinees die ik op straat tegenkomt, schreeuwt ‘hello’ zodra hij me ziet. Als ik iets terug zeg, word ik keihard uitgelachen. Altijd. In het begin vroeg ik me nog af waarom mijn antwoord zo grappig was. Ik experimenteerde met andere antwoorden of met andere intonaties, maar er werd altijd even hard om gelachen. Buitenlanders die gedag zeggen zijn kennelijk enorm grappig.

De Chinezen zijn mijn paparazzi en ik ben hun Frans Bauer. Er komt binnenkort een dekbed op de Chinese markt: paars met in het midden in grote zwarte letters het woord WAAROM?, het woord dat ik hier het vaakst uitspreek en waar de Chinees het minst mee kan. Klanten en winkelmeisjes bestuderen uitgebreid de inhoud van mijn boodschappenmandje. Als ik ’s avonds met mijn pannetje vol rijst en groenten over de campus loop, kijkt iedereen zorgvuldig wat ik ga eten. Alsof ik iets anders zou eten dan zij. En als iemand me weer eens met open mond en een geschokte blik in de ogen aanstaart als ik een wc binnenloop, heb ik zin om te roepen: ‘Buitenlanders poepen ook!’ Maar ik doe het niet. Ik zwijg en glimlach, want ik wil niet dat iemand zijn gezicht verliest. Zeker niet ‘onze’ tachtig procent: de niet-Chinezen.

PS: Ik werkte in China als docent Engels op een middelbare school in Qinzhou.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *